Iemand die de trap op liep
Een man op tv vertelde dat hij ooit nog eens een boek wou schrijven over iemand die de trap op liep.
Meer niet.
Slechts dat enkele feit wou hij beschrijven.
En daar wou hij een heel boek aan wijden.
Dat moet mogelijk zijn vond hij.
En ik vind dat ook.
Zoiets zou moeten kunnen.
Want er schiet van alles door je hoofd als je de trap op loopt.
Van de eerste tot de laatste trede zou je als een groot avontuur kunnen zien.
Als je het maar genoeg uitdiept.
Elke trede zou voor een hoofdstuk kunnen staan.
Stel je voor dat je vijf hoog woont.
Dan moet je vijf trappen beschrijven.
Dan ben je wel even bezig.
Maar uiteindelijk lever je wel wat af.
Ik kan me zo voorstellen dat je dan je magnum opus geschreven hebt.
Je levenswerk.
Maar dan moet je nog een uitgever vinden.
Ook daar ben je weer een tijdje zoet mee.
Enfin, laat ik het voor deze keer bij een klein trapje houden.
Laten we zeggen een wenteltrapje.
Of nee, nog beter, zo’n trap die naar zolder gaat.
Zo’n uitschuifding.
Die je met een touwtje uit het plafond trekt.
Je kent ze wel.
Al mijn schoonmoeders hadden er een.
Oké, stel je die trap voor.
En stel je voor dat je hem dagelijks neemt.
Zodoende heb je er dus geen angst voor.
Je weet waar die naar toe leidt.
Naar zolder.
En die zolder ken je ook.
Dus je hebt niks te vrezen.
Je neemt de eerste trede.
Je denkt nog niks, denk je.
Maar dat is schijn.
Want al bij de eerste trede schiet er door je hoofd dat het strijkijzer nog aanstaat wat je bij wijze van spreken zojuist nog gebruikt hebt.
Een rotklusje was dat trouwens.
Dat strijken.
Toch moet het elke dag gebeuren en telkens vraag je je af of dat je dat strijkijzer nou uit hebt gezet of niet?
Dan neem je de tweede trede.
Het strijkijzer suddert nog na.
Hoe laat moest ik nou ook alweer bij de tandarts zijn morgen, denk je opeens?
Maar hopen dat ik geen gaatjes heb.
Dan begint ie dadelijk gelijk te boren.
Met een verdoving voel je niet zoveel, maar toch.
Het is niet mijn hobby.
Als vanzelf betreed je de derde trede.
Je ziet opeens dat je veter los zit.
Verdomme, denk je.
Dat is nou al de zoveelste keer.
Ik heb mijn schoenen toch echt goed vast gemaakt vanochtend.
Bij de vierde trede denk je na over klittenband.
Dat je vroeger van die schoenen had.
Ooit gekocht, of nee, gekregen, omdat je tennislessen ging volgen.
Dat waren van die witte.
Van het merk Slazenger.
Waarvan het klittenband steeds losliet.
En met tennissen had je het ook snel gezien.
Op een gegeven moment sta je halverwege de trap.
Je kunt net met je hoofd op zolder kijken.
Het is er donker en je zoekt naar het lichtknopje.
Dat moet hier toch ergens zitten?
Je gaat af op de tast.
Het is nog zo’n oud schakelaartje.
Zo’n zwart draaiknopje dat klik zegt.
Na even voelen heb je hem gevonden.
Het licht springt aan.
Het oogt er onrealistisch.
Je oriënteert je even en vervolgt je weg naar boven.
Er liggen multomappen van nooit afgemaakte opleidingen.
Ook staat er een poppenhuis met ingegooide ramen.
Vandalisme in een notendop, denk je.
Je glimlacht en bent bijna boven.
De twaalfde trede is bereikt.
Weer denk je na over dat strijkijzer.
Zonde van je tijd, denk je.
Waarschijnlijk staat ie gewoon uit.
Zoals altijd.
October 1st, 2011 at 11:46 pm
почему бы и нет