Een man alleen en ver van huis
November 13th, 2011
De zaak zat vol vandaag.
Alle tafeltjes bezet.
Ze waren van heinde en verre gekomen.
Uit Zierikzee.
Een paar uit Emmen.
En er waren er zelfs van over de grens.
Zo zat er een Duitser.
Gisteren zat ie er ook.
Hij was wat dikkig.
Een beetje opgeblazen eigenlijk.
Rooddoorlopen ogen.
Maar toch verzorgd.
Oh ja, en hij had een snor.
Maargoed, die Duitser dus.
Het was een behoorlijke innemer.
De een na de ander.
Eerst bier en daarna weer jenever.
Of soms beide.
Het was een man alleen en ver van huis.
Dus ik begreep hem wel.
Ik raakte met hem aan de praat.
Een beleefdheidspraatje.
Ik vroeg waar die vandaan kwam.
Aus Bonn!
En dan stopte het gesprek weer.
Terwijl ik toch echt de indruk had dat ie om een praatje verlegen zat.
Ik schonk nog maar eens in en probeerde het opnieuw.
Ik vroeg of hij hier voor zaken zat.
Nein!
Uiteindelijk liet ik hem maar.
Daar viel geen eer aan te behalen.
Maar steeds als ik met andere gasten in de weer was voelde ik zijn ogen op mij gericht.
Ik werd er zenuwachtig van.
Hij keek namelijk ook steeds bozer.
Ik vroeg mij af wat ik fout deed.
Ik kon niks bedenken.
Ik deed gewoon mijn werk.
Wat moest die vent nou van me?
De avond verstreek.
Mensen kwamen en mensen gingen.
En hij zat er maar.
Zonder dat ik wist wat nou zijn beweegredenen waren om bij mij aan de bar te zitten.
Ja, hij was wat eenzaam.
Dat zag ik.
En hij was ver van huis.
Dat wist ik.
Maar wat er nou toch in zijn hoofd rondging?
Hij had zorgen, vermoedde ik.
Zorgen die we allemaal hebben.
Van die alledaagse dingen.
En daar zal die wel mee hebben zitten tobben.
En mogelijk botvierde die dat op mij.
Ik kon en kan geen andere reden verzinnen.
Het leek me namelijk niet een type die iets gemeens in de zin had.
Gewoon iemand die een baan had.
Een vaste baan.
En die voor zijn werk hier moest zijn.
Ik begon hem nog eens in te schatten.
Een vrachtwagenchauffeur?
Hij vervoerde vast chemische stoffen.
Of zal hij per trein gekomen zijn?
En doet ie iets in talen?
Een Tolk?
Nee, die zijn vast spraakzamer.
Enfin.
Ik moet het opgeven.
Het blijft voor mij een raadsel.
Uiteindelijk stapte die dan ook op.
Met zijn hand maakte die een afrekengebaar.
Ik noemde het bedrag en hij betaalde netjes zijn schade.
Bis morgen, zei die nog.
Er kon nog een kleine glimlach vanaf.
Toch nog iets van genegenheid, dacht ik.
Maar hoogte kreeg ik niet van hem.
Wellicht morgen?
Als ie weer in goeie doen is.