Mijn keuken is een waar paleis.
Ook al doe ik er dan niet veel mee.
Maar hij is van alle gemakken voorzien.
Zo staat er bijvoorbeeld nog een afdruiprekje.
Waar vind je die nog?
Hij is van een ongekende oerdegelijke kwaliteit.
Gaat zeker al veertig jaar mee.
Er is heel wat in afgedropen.
En heeft al meerdere keukens versleten.
Nog steeds wint mijn afdruiprekje het van de oprukkende volautomatische afwasmachines.
Want mijn afdruiprekje houdt moedig stand.
Ik heb er wel eens aan zitten denken om een nieuw afdruiprekje aan te schaffen.
Maar waarom zou ik?
Hij voldoet.
Oké, hij is wat vaal.
Er zit hier en daar een roestplekje.
Maar dat is allemaal te overzien.
Ik heb hem ook maar gekregen.
Een vriend van mij wou hem wegdoen.
Hij ging toch samenwonen zei die.
Dat heeft hij geweten.
Na een paar maanden was het bekeken.
En nou woont hij weer op zijn eigen.
Zonder afdruiprekje.
Maar ja, weggegeven is weggegeven.
De wereld is hard.
Het afdruiprekje hangt bij mij meestal aan een haakje.
Boven het aanrecht.
Ik gebruik hem niet vaak.
Zo’n één keer per week.
Wanneer de afwas zich heeft opgestapeld en nergens meer een schoon kopje te bekennen is.
Dan doet mijn afdruiprekje dienst.
En dan de geschiedenis die aan zo’n afdruiprekje kleeft.
Wat die niet allemaal heeft meegemaakt.
Gezien en gehoord.
Als dat ding eens kon praten.
Moeder, die de tafel zojuist heeft afgeruimd en moe in de keuken terugkomt.
Daar die berg afwas ziet staan.
En vanuit de huiskamer de kinderen hoort jengelen om een toetje.
Of op een feestje.
Waar vreemd genoeg de gasten zich altijd allemaal in de keuken verzamelden.
Daar gingen de laatste roddels rond.
Het afdruiprekje heeft het allemaal gadegeslagen.
Wie het met wie deed.
En wie er nou weer dronken was.
Al veertig jaar trouwe dienst.
Nooit een onvertogen woord.
Die zet je niet zomaar bij het grofvuil.
Die koester je.
Zou er eigenlijk een museum voor afdruiprekjes bestaan?
Volgens mij niet.
Misschien is het een idee?
Geef ze een plek!
Er staat vast nog wel ergens een pandje leeg.
Het hoeft niet groot te zijn.
Een paar verdiepinkjes maar.
En dan noemen we het “het Nationaal Afdruiprekjes Museum”
Kort gezegd: het NAM.
Dat wordt vast een hit.
Een publiekstrekker.
Mensen van heinde en verre gaan dan even een dagje naar het NAM.
Nu we er toch zijn kunnen we gelijk even naar het NAM.
En ik wil best de uitbater van het museum zijn.
Maak ik er een klein restaurantje in.
En wanneer de mensen uitgegeten zijn, kunnen ze zelf de afwas doen.
Met een eventueel zelf meegenomen afdruiprekje.
Zo wordt het lekker een interactief museum.
Kunst met natte handen.
Dat zou de slogan kunnen zijn.
Nou ja, ik brainstorm maar wat.
Maar zo zie je maar.
Doe nooit je afdruiprekje weg.
Want het NAM opent mogelijk binnenkort zijn deuren.
